Boekfragment 7

Een woedende hulpverlener.

    Vanavond is Zonderland er, een man die aan ontwikkelingssamenwerking heeft gedaan, en zich nu kennelijk geroepen voelt om met zijn opgedane ervaringen als wapen op de botheid van zijn landgenoten in te slaan. Een fascinerend man, deze Zonderland. Vooral om zijn hoofd dat de associatie wekt met een explosie. Maar dat hoofd past bij zijn manier van praten, met veel elan en woestheid. Hij ergert zich aan het ‘gezeik’ van de stamgasten van deze bruine kroeg, die al warm beginnen te lopen voor de reeks klaagverhalen waar ze hier ter plekke heel goed in zijn, en hij wil daar korte metten mee maken. Daar is hij heel goed in, en dat boeit Thomas. Deze man is de voornaamste reden dat hij hier meermalen is teruggekomen.

    ‘Ik heb met jullie te doen’, zegt het boze hoofd hard en met een onverholen hatelijke bijklank. Maar er komt geen preek. Geen oproep tot zelfinkeer of opwekking om eens wat socialer te gaan denken zoals Thomas al eerder van hem heeft gehoord. Nee, Zonderland begint deze keer een verhaal te vertellen. De stamgasten worden al snel geboeid door deze eigenaardige figuur met zijn wilde haardos. Men luistert en dat is zeer ongewoon. De alcohol heeft bij de meesten nog niet voldoende zelfmedelijden opgewekt om zich nu al geheel voor de omgeving te kunnen afsluiten.

    ‘Ik was in Smokey Mountain. Een armzalige plek op de Philippijnen.’

    Thomas’ aandacht wordt aangescherpt.

    ‘Smokey Mountain wordt zo genoemd omdat het een vuilnisbelt is die altijd smeult. De stank is er ondragelijk. Tenminste voor wie van buiten komt. Eromheen en ertussenin wonen mensen in blikken hutten. Deze mensen zijn gewend aan de verstikkende geuren. Een van de mensen daar is Miserio. Zijn huis is na elke regenbui zwaar gehavend en moet dan opnieuw worden opgelapt. Hij woont met nog 30.000 anderen in de vuile sloppenstad zonder huisnummers en naambordjes. Hij leeft in een eenkamerwoning, samen met zijn zes kinderen. Wonen jullie ook in een eenkamerwoning met zes kinderen?’

    Gegrom en gefrons. Een preek gaat er hier niet in. Zonderland is zich meteen bewust van zijn communicatieve fout en laat verder alle sneren en beleren achterwege.

    ‘Ze zijn nu nog maar met zijn zevenen. Vorig jaar leefde Miserio’s vrouw nog, toen was het dus nog voller. Gelukkig is Miserio een schrandere kerel met enorme wilskracht, want zonder dat red je het niet als je dagelijks zeven hongerige magen moet vullen. Elke dag is een avontuur, een zoektocht naar eten, een strooptocht naar bruikbare voorwerpen, huisraad, kleding en bouwmateriaal. Miserio runt zijn eigen bedrijfje. Overheadkosten heeft ie niet, hij handelt op straat, met nog niet helemaal waardeloze objecten. Leveranciers hoeft hij dus ook niet te betalen; hij haalt de rommel zelf, uit het vuilnis van de wijken waar echte huizen staan, bungalows, herenhuizen, villa’s. Er is dus grote afwisseling in zijn handel. Miserio loopt mank. Je kunt niet goed zien waardoor. Het kan een ongeluk zijn. Het kan ook een ziekte zijn. En het kan ook nog zijn dat hij helemaal niet mank is. Hij trekkebeent de straten langs. Niet de straten van Smokey Mountain, maar van de betere wijken van Manilla, daar waar de toeristen nog worden behoed voor de ergste cultuurschok. Miserio is zich zeer bewust van het effect van zijn verschijning. Zijn stem is ontwricht, een hees gekraak is het enige wat hij nog altijd met veel kracht produceert. Maar het zijn juist zijn gebarsten en verwrongen stembanden waardoor zijn handel loopt als een trein. Mensen blijven getroffen staan weet je. Op de gezichten van toeristen die nog niet zoveel gewend zijn kan Miserio met zijn scherpe ogen duidelijk aflezen dat ze mededogen voelen. Nee, aan zijn ogen mankeert niks. Hij registreert feilloos de minste trilling van neusvleugel, mondhoek of wenkbrauw. Hij kent het onervaren en schutterige soort mededogen van rijke mensen die botweg met armoede worden geconfronteerd, en maakt daar handig gebruik van. Hij loopt nog een beetje manker dan normaal en houdt ook zijn hoofd ietwat schever. Daarna kijkt hij de toerist doordringend aan en raadt het land van diens herkomst. Dat is een bedrevenheid welke hij zich heeft eigengemaakt, en daarmee scoort hij niet zelden. Dat wekt verbazing bij de toerist. Deze had zoveel schranderheid niet verwacht bij dat versleten kereltje. En heeft Miserio het mis, dan vertelt de toerist hem wel dat hij nou ook niet direct een typische Engelsman of Zweed is, dus dat het helemaal niet gek is, dat ‘u mij niet precies weet te plaatsen’. Deze argeloosheid legt een stevige bodem voor Miserio’s onderhandelingspositie. De verbouwereerde toerist, zo vriendelijk aangesproken door zo’n aardige voorwerpenverkoper die zomaar weet waar hij vandaan komt, deze toerist is verkocht, en hij koopt.’

    Zonderland kan hier zijn vlijmende malicieuze toon niet inhouden, hetgeen tot ontspannen gelach leidt van de kroeglopers die zich superieur achten aan de naïeve toerist.

    ‘Hij koopt, en betaalt zonder protest een krankzinnig hoge prijs voor een afgedankt voorwerp. Dat weet de toerist niet, hij heeft netjes en op beschaafde wijze afgedongen zoals de reisleider hem geleerd heeft. Ook weer niet teveel, want de handelaar ziet er niet zo rijk uit, en heeft misschien wel drie monden te vullen.’

    Gegniffel en vriendelijk gebrom in het café.

    ‘Het geweten van de toerist is gesust, de onrust die gepaard ging met zijn mededogen vloeit weg en een algehele braafheid vult zijn borst. Zelfs wanneer hij slim is en wel weet dat hij het voorwerp ook voor niks uit een vuilnisbak had kunnen vissen, spijt hem de koop niet. Thuisgekomen zet hij het ding neer op een plek waar het geen kwaad kan, tussen zijn verzameling nutteloze voorwerpen. Zo wordt hij elke dag herinnerd aan de goede daad op vakantie in de Philippijnen. Als het Miserio lukt om vandaag nog drie van zulke prullen te verkopen, kan hij weer wat meel, rijst en vruchten inslaan om zeven monden te vullen. Zijn oudste kinderen hebben zich al enigszins zelfstandig ontwikkeld in de onderneming van hun vader. Miserio leerde hun het vak en de locaties waar het meest te halen valt. Hij is blij met hun deelname. Miserio begrijpt dat het hoog tijd is dat ze gaan meedoen. Binnenkort zal hij sterven aan dezelfde ziekte waardoor ook zijn vrouw is gesloopt. Als het zover is, moeten de kids het echt zelf kunnen. Anders gaan ze binnen een paar jaar allemaal dood.’

    Punt. Dat is het. En het is een uitstekend moment om te stoppen. Zonderland heeft de goede strategie uiteindelijk helemaal te pakken. Veel gefrons maar geen gegrom meer. Een doodse stilte doordringt de rook en de geuren van dit oude café. Het duurt zo lang dat de enige aanwezige vrouw, de echtgenote van de waard, zenuwachtig en met een hoop gerinkel glazen begint te spoelen. Thomas vindt het een mooi verhaal, en wil erover doorpraten met deze vreemde knaap met het hoofd van een bomkrater. De verteller laat zich gewillig door hem leiden naar een tafeltje apart, terwijl de stemmen van de anderen weer moeizaam op gang komen.

    ‘Bent u gelovig?’ vraagt Thomas de ontwikkelingssamenwerker.

    ‘God nee, moet dat?’

    Thomas glimlacht met neergeslagen ogen om de kwinkslag. De man herstelt zich echter omdat hij om een of andere reden tegenover deze magere jonge vent niet onbeleefd wil zijn.

    ‘Ik heb nooit geloofd en dat is niet veranderd door Smokey Mountain, m’n ongeloof is er eerder door versterkt.’

    Zonderlands blik verraadt plotseling een actieve gedachtenstroom. Heel langzaam maakte zijn hoofd een knikkende beweging.

    ‘Toch kom je er heel wat gelovigen tegen. Daar hoef je niet eens naar te vragen. Ze houden het daar niet vóór zich zoals hier. Ik ontmoette er een voorganger, zo eentje met een jurk, uit roeping daar naartoe gegaan om de mensen te troosten, met name stervende mensen. Da’s eigenlijk vreemd vind je niet? Zieltjes winnen voor de godsdienst, zieltjes die er over een week niet meer zijn. Waar zit de winst? Hij vertelde me, een beetje zielig eigenlijk, dat hij meermalen aan zo’n doodsbed zat en daar met een groot en ijzersterk geloof geconfronteerd werd. Mensen gingen te midden van de grootste ellende blijmoedig dit leven uit. De zendeling kwam om te troosten, maar hij werd zelf beëvangeliseerd en getroost. De omgekeerde wereld. Ga naar de teloorgang van de menselijke waardigheid en je vindt god. Hoe vind je dat?’

    Thomas weet niet wat hij ervan vindt. Als hij het wist was hij waarschijnlijk niet gaan zwerven. Hij haalt de foto uit zijn portefeuille en legt hem voor het kraterhoofd neer.

    ‘Ken je deze priester?’

    ‘Nee niet de priester. Wel de ouwe man. Heel opvallend. Hoe kom je aan die foto?’

    ‘Uit een christelijk blaadje. Je vertelt net zelf het verhaal dat past bij dit plaatje. Hoe leg jij dat uit?

    Zonderland haalt zijn schouders op.

    ‘Als je niks meer hebt, bedenk je een bron die niet opdroogt.’

    ‘Een bedenksel dat in staat is om je over de allerdiepste ellende heen te tillen? Dat vereist wel een voorstellingsvermogen van gewapend beton!’

    Zonderland knikt en zegt niks. Thomas bergt de foto weer op.

    ‘We zullen sowieso in onze botte hersens moeten toelaten dat het leven zinloos is.’

    Dat is een sprong die Thomas niet verwacht noch volgt.

    ‘Zinloos… Hoezo zinloos?’

    ‘Omdat het fundamenteel onrechtvaardig is. Dat is juist wat het zinloos maakt. Miserio komt op de wereld, kent niets dan ellende en gaat vroegtijdig dood. Het leven heeft hem niets geboden. Niets. Hij had beter niet geboren kunnen worden. Zijn bestaan is totaal zinloos geweest. Zijn kinderen nemen de ellende van hem over en leven dus ook tevergeefs.’

    ‘Er bestaat geen gerechtigheid’, mompelt Thomas overtuigd en langzaam knikkend.

    ‘Nee, de werkelijkheid biedt fundamenteel enkel onrecht. Tallozen lijden daaronder zonder hoop op vergelding voor hun ellende. Zij léven zonder hoop en stérven zonder hoop. Het leven is uitsluitend wreed voor ze en dat wordt in der eeuwigheid niet meer rechtgezet. Het leven, waar niemand om gevraagd heeft, is zonder enige betekenis, erger nog, het is kwaadaardig. Het behoorde er niet te zijn! Wie durft het in zijn botte hersens te halen te beweren dat het leven zinvol is?’

    De stem van Zonderland stapelt zoveel decibellen op, dat anderen bij het tafeltje komen staan.

    ‘Maar voor ons is het leven toch wel zinvol?’ durft iemand aan te voeren voor wie de gezelligheid van de kroeg toch eigenlijk heel plezierig is. Deze opmerking had hij beter niet kunnen maken. Zonderland draait zich langzaam naar de spreker.

    ‘Zo. Voor ons wel vind jij. Nou ik zal je uit de droom helpen vriend. Wat is voor jou de zin van het leven als je er een sport van maakt om jezelf de godganse dag te lopen beklagen?’

    Dat ‘jou’ wordt door Zonderland als een algemeen ‘ons’ bedoeld, maar de aangesprokene is zo overdonderd dat hij daar geen oog voor heeft en wegkruipt achter zijn trawanten.

    ‘Wij krijgen inderdaad wel alle kansen van het leven. Dat is precies de onrechtvaardigheid. Wie zijn wij in godsnaam? Wat maakt ons tot uitverkorenen? Wat geeft ons het privilege om het leven als een zinvolle ervaring te beleven? Ik zou het bij god niet weten maat. Ik zie geen enkele reden waarom wij, jij en ik en hij en hij en hij, (Zonderland priemt wild om zich heen) het voorrecht zouden verdienen het leven te mogen opscheppen alsof het in een gigantische pan tomatensoep zit? En wat doen we ermee meneer? We slurpen de hele bak leeg als hongerige katten, en gaan dan lopen janken dat er niet méér is, dat de wereld te vol wordt, dat het allemaal zo onrechtvaardig verdeeld is omdat sommigen alles hebben en wij niks. Het is godgeklaagd dat wij met onze vette reet nog meer uit het leven willen halen dan we er al uit hebben gezogen! Meneer!’

    De afstand tussen de omstanders en de tafel wordt groter.

    ‘En midden in deze morose, de wrevel, de galligheid durf je met je chagrijnige kop te beweren dat voor ons het leven wel zinvol is.’

    Het woord ‘morose’ maakt de blik van de aangesprokene nog wezenlozer dan hij al was.

    ‘Wat is de zin dan? Vetzucht? Stress? Ontevredenheid? Wrok? Overal tegenop zien? Ruzie met je buren? Het hele arsenaal angsten dat jou dagelijks loopt te pesten? Je kater morgenochtend? Het harde feit dat je doodgaat, nu of later? Het besef dat je straks tot in eeuwigheid niet meer tot leven gewekt zult worden? Leve de zin van het leven!’

    ‘Waarom leef jij nog?’ vraagt Thomas.

    Zulke verhalen, hoe grof en hoe frustrerend ook, houden Thomas toch mede op gang en helpen mee om zijn onderzoek te vervolgen. Hij vindt dat het belangrijke dingen zijn welke worden uitgesproken. Maar ze prikkelen hem tevens tot een kritische houding. Zonderland ontspant, zijn woeste blik ondergaat de zwoelheid van een vleug weemoed. Zijn stem wordt nu zo zacht dat de omstanders iets naar voren moeten buigen om hem nog te kunnen horen. Hij knikt opnieuw, maar nu vastberaden.

    ‘Waarom ik zelf nog leef… Dat is de laatste wreedheid die het leven voor ons heeft klaarliggen. Het overtuigt ons er allemaal van dat er zijn beter is dan er niet zijn.’

To be or not to be. Hamlet Shakespeare.

    ‘Niemand weet waarom, maar we willen het leven rekken hoewel het niets uitmaakt. Het verkort de eeuwigheid van ons niet-zijn niet. De tijd voegt geen zin toe. Wij winnen er op geen enkel onderdeel van het leven iets bij door het te verlengen. De geaborteerden en doodgeborenen zijn er beter aan toe dan wij omdat wij wéten dat we onze eeuwige ondergang tegemoet gaan maar er niets, hoegenaamd niets tegen kunnen doen. We kunnen nog een miezerig klein beetje van deze ontzettende realiteit vandaan vluchten. Door er nooit aan te denken zoals de meeste mensen doen. Door ons avond aan avond een stuk in de kraag te zuipen als de gedachte ons niet met rust laat. Terwijl we weten dat het zinloze leven ons morgenochtend weer vrolijk staat op te wachten als we weer bij ons verstand zijn, zij het met barstende koppijn. Of door je als een kip zonder kop op je werk te storten zodat je nooit aan genieten toekomt omdat er naast geld verdienen niets meer in je kop past. De enige verdienste van alle vluchtpogingen is dat ze je eventjes afleiden van de ergste gedachte, namelijk dat het een keer ophoudt en nooit meer begint. Zij die het meest hebben, genieten daar het minst van, is je dat wel eens opgevallen? Toch willen we leven. Slechts weinigen zijn zo verstandig er een eind aan te maken, de desperaten of lijders aan de vreselijkste pijnen. Bij diegenen is het leven te ver gegaan, en is de poets die hun wordt gebakken te hartig geworden. Het leven moet hen loslaten vóór het de bedoeling was. Maar alle anderen klampen zich vast aan het luchtkasteel dat leven heet. Want dat is het precies mijne heren: een misverstand, een illusie, een fata morgana. Hoe is het mogelijk dat dit waandenkbeeld, deze hersenschim, dit fantoom in staat is ons zoveel leed te berokkenen! En de laatste practical joke is valse hoop.’

    Een druppel aan een emmer en een stofje aan een weegschaal.

    Thomas wordt wat onrustig in deze kroeg. Hij kan niets ontkennen in deze tirade. Maar toch is er iets niet in orde met deze redenering. Hij is op z’n minst incompleet.

‘Maar er bestaan toch ook gelukkige mensen? Zelfs in Smokey Mountain zei je zelf.’

Zonderland bindt wat in door deze scherpstelling.

    ‘Dat kan ik niet ontkennen. Ze zijn er werkelijk en het lijkt of ze worden afgeschermd tegen de realiteit welke kennelijk hun hoofd niet bereikt. Daar heb ik veel over nagedacht.’

    En dat doet hij nu weer, hetgeen hij deelt met de kroeg, opnieuw op een zachte toon alsof hij het louter tegen zichzelf heeft.

    ‘Ze horen liedjes of zien bloemen in de ogen van hun medemensen, die net als zij zo arm zijn als rioolratten. Ze zijn immuun voor het verdriet van de wereld zonder schuldig te zijn. Het zijn kinderen.’

    ‘Zalig de onnozelen’, zegt Thomas.

    ‘Zij kunnen niet worden aangetast in hun deelname aan het leven dat ze met volle teugen maar zonder gulzigheid indrinken. Het raakt nooit op, er is altijd genoeg. Als, ik zeg áls het leven zin zou hebben, dan bij hen.’

    Zonderland staart naar de houten vloer en laat zijn hoofd tergend langzaam op en neer gaan alsof hij de ‘zin van het leven’ als met een jaknikker uit de grond wil trekken. De mijmering gaat weer over in resoluutheid met driftige gebaren, het lijkt of hij de tegenspraak met zijn voorgaande verhaal niet kan verdragen.

    ‘Maar dat heeft het niet. Dat zij gelukkig zijn verandert niks aan de werkelijkheid zelf. Ook zij gaan dood, ook al hebben ze daar in de flits dat ze bestonden geen last van.’

    Aldus Zonderland. Je wordt niet vrolijk van hem, maar zijn inzichten zijn fascinerend.